gehouden op 26 mei 2026 in Museum Sophiahof
(ism Studium Generale te Leiden)

Toen ze aan mij vroegen om over het leven van vrouwen in de voormalige kolonie en koloniale machtsverhoudingen te praten, bedacht ik hoeveel haakjes voor dit thema in mijn eigen werk zitten. Misschien, als ik wat van die blokjes aaneenrijg, dat zich dan dingen openbaren waar wij, nazaten van die kolonie, nu wat aan hebben. Laten we eens kijken.

Laat me eerst even kort memoren wie Kartini, de Indonesische heldin, ook alweer was. Lara Nuberg en Feba Sukmana publiceerden vorig jaar De mooiste brieven van Kartini. Zelf schreef ik in 2021 ook over haar, een tekstje voor Bedtijdverhalen voor rebelse meisjes, een uitgave van Rose Stories dat de foutieve ondertitel meekreeg: 100 bijzondere Nederlandse vrouwen – maar dat zag ik achteraf pas:

In Indonesië werd lang geleden een dochter geboren die Kartini werd genoemd. Het meisje was van adel en mocht van haar vader naar school. Dat was toen modern. Haar land was nog bezet door Nederland, dus op school leerde ze onze taal.
Helaas besloot haar vader om Kartini vanaf haar twaalfde in huis op te sluiten. In Indonesië was je dan huwbaar en mocht je niet meer met vreemden omgaan.
Maar Kartini bleef lezen en leren. Ze schreef brieven aan Nederlandse vrouwen en mannen. Ze was tégen gedwongen huwelijken en tégen mannen die meer vrouwen hadden (ook dat mocht toen). En ze was hartstochtelijk vóór onderwijs voor meisjes. Volgens Kartini werd de wereld alleen leefbaar wanneer ook meisjes mochten leren. Dan zouden zij later hun kinderen kennis meegeven én liefde voor andere mensen.
Na vier jaar versoepelde de vader van Kartini zijn regels. Maar nog kon zij haar dromen niet waarmaken. Erger nog, ze werd zelf uitgehuwelijkt [uitroepteken!] Omdat ze het hart van haar vader niet wou breken, gaf ze toe.
Ze mocht van haar man gelukkig wel een schooltje beginnen. En toen werd ze zwanger. Ze zette vast een babybedje neer in het klaslokaaltje waar zij lesgaf. Helaas overleed Kartini vlak na de geboorte van haar kind.
Een vriend maakte een boek van haar brieven dat overal ter wereld werd vertaald, net zoals het dagboek van Anne Frank. En in Indonesië werd haar geboortedag een feestdag: op 21 april vieren ze Kartini-dag.
*
In mijn tweede roman, die eerst Engel en kinnari heette maar werd omgedoopt tot Zoeken naar Isah, schrijf ik ook over Kartini. Die nieuwe titel was overigens op verzoek van mijn uitgever. Een vreemd woord in een titel schijnt niet goed te verkopen – en hij wilde bij nader inzien toch liever duidelijk laten zien dat het boek een vervolg was op Lichter dan ik, mijn eerste roman. Laten we het voortschrijdend inzicht noemen.
Kartini heeft gezegd: ‘Als iemand durft te beginnen, zullen velen volgen.’
Voor de hoofdpersoon Louisa, die leefde in de tijd dat Kartini’s brieven voor het eerst werden gepubliceerd, lag het anders. Zij kon Kartini’s advies niet zomaar volgen, want ze had geen idee wíe ze zou moeten volgen. Het brievenboek verwart haar vooral.
Net als Louisa vindt de Javaanse veel troost bij boeken en de leestrommel, een ijzeren trommel die elke maand nieuwe boeken en tijdschriften uit Europa afleverde, schimmel- en rotvrij. Dit exemplaar werd al vóór de oorlog naar Nederland verscheept, dus ik verbeeld me altijd dat het ook een soort leestrommel was.
Het lezen maakte Kartini echter strijdvaardig. De boeken legden de basis voor haar idealen. Ze wéét en accepteert keer op keer dat haar plannen worden gedwarsboomd, dat ze, telkens als ze zo’n ideaal lijkt te bereiken, door anderen een zijpad wordt opgeleid.
Hoe leert een mens zich zo te schikken, vraagt Louisa zich af. Ze beseft ergens dat Kartini’s wortels haar helpen en dat zij, Louisa, een Indo-Europese is die niet weet wie haar eigen moeder en vader waren. Zij moet met vermoedens en verlangens leven, Kartini’s verlangens staan op steviger grond.
In 1913, het jaar dat ze het boek cadeau krijgt van haar Chinese vriendin Yuleng, schrijft Louisa een brief aan haar zus Pauline. Een paar fragmenten uit die lange brief over Kartini:
*
(en hier kwam als verrassing mijn goede vriendin Esther Scheldwacht, die mijn eerste boek zo mooi voor het theater heeft bewerkt, op uit het publiek. Zij las bijna alle fragmenten uit mijn boeken voor en zorgde ervoor dat het niet saai werd om bijna 3 kwartier naar mij te luisteren!)
“Liefste Pauline,
Dit wordt misschien een wat langere brief dan gewoonlijk, maar ik wil graag mijn verwarde gedachten met je delen. Onlangs las ik een boek dat Door duisternis tot licht heet en is geschreven door ene Raden Adjeng Kartini. Je ziet het al aan de titel en de naam, een Javaanse van adel. Dat ik haar brieven en gedachten kon lezen, komt omdat ze in perfect Nederlands schrijft. Ze is, net als wij, naar de E.L.S gegaan, wat heel vooruitstrevend was van haar vader, de regent van Japara. Ze schrijft voornamelijk aan Hollandse vriendinnen en vrienden, wat op zich natuurlijk ook al opmerkelijk is.
Kartini wil niets liever dan verder studeren en scholen oprichten om Javaanse vrouwen te onderwijzen…. Ze is zo bevlogen en hartstochtelijk in haar opvattingen, dat ik bijna in trance raak als ik haar lees. Bij mij bereikt ze wat ze beoogt:
‘Naast ’t hoofd moet ’t hart geleid worden, anders blijft de beschaving slechts aan de oppervlakte.’ En wie zijn volgens haar de beste dragers, de vermenigvuldigers van beschaving (met andere woorden: wie moeten ook het eerst worden geschoold)?
Javaanse vrouwen, meisjes. Daar zullen heel wat mannen van hebben opgekeken!
Toch is haar/diezelfde vader niet altijd eerlijk tegen haar, vind ik. Hij doet voorkomen dat ze om te studeren naar Nederland mag met haar zusje Roekmini – toen onvoorstelbaar voor Javaanse dochters – terwijl ergens al duidelijk is dat dit nooit zal plaatsvinden… uiteindelijk overwint de adat toch, zo dit niet al vanaf het begin vaststond. Er was misschien helemaal geen sprake van een strijd, behalve in haarzelf. Ook die is interessant: zodra de gedachte in haar kiem vat dat zij, als ze in Nederland studeert, zich van haar eigen volk vervreemdt, heeft ze er vrede mee dat ze de overzeese reis nooit zal maken.
Louisa’s gedachten zijn wat minder nobel, maar de brieven zetten haar wel aan het denken.
Ze is een heilige, zeker als ik naar mijn eigen boosaardige gedachten kijk. Ze kent geen wrok (wel bitter verdriet, en veel ook) of woede, maar weet altijd vreugde te putten uit situaties die mij verschrikkelijk of moedeloos makend voorkomen.
… Taal is voor haar de sleutel tot kennis, voor mij tot een fantasiewereld die mij m’n eigen bestaan doet vergeten.
…Ze schrijft: Leed loutert, tenminste als de mens van goed maaksel is, in ’t tegenovergestelde geval verlaagt het“.
Dat trekt Louisa zich persoonlijk aan. Kartni’s brieven openen haar de ogen. Voor haar eigen passiviteit, voor de benepen moraal in Indo-Europse kringen en voor het racisme dat er leeft:
“Het boek doet me ook afvragen wat erger is: als kind te worden uitgehuwelijkt of een van meerdere echtgenotes te zijn? Een onmogelijke keuze, maar het is alsof dat laatste tegenwoordig de grotere schande is, volgens de Europese norm uiteraard. Wat is het toch vreselijk, die schande en schaamte die ons leven stuurt en beheerst, en die ons door anderen wordt opgelegd. Neem de schaamte voor de vrouwen die onze moeders zouden kunnen zijn: is die zo levensgroot omdat totoks gezegend zijn met blanke ouders? Wij geloven dus in hun superioriteit en verdoezelen onze moeders? Het zal ons, met ons gemengde bloed, nooit lukken om ook zo blank te zijn, we zullen dus altijd verliezen.”

Zo heb ik Kartini dus eigenlijk gebruikt om aan te tonen dat het belangrijk is om te weten waar je vandaan komt. Misschien dat de echte Louisa, mijn overgrootmoeder naar wie de romanfiguur Louisa zo’n beetje gemodelleerd is, zich dat geen seconde heeft afgevraagd, maar tegenwoordig lijkt het iedereen bezig te houden.
Waar ik gelukkig niemand in mijn familie op heb betrapt tijdens mijn research voor mijn boeken, is schaamte voor hun afkomst. Dat die niet roomwit was, maar inheems of gemengd. Mijn Javaanse overgrootmoeder Tjanting, zo werd ze in werkelijkheid ook genoemd, was in mijn familie zelfs een soort heilige. Ze zorgde na hun geboorte voor elk van haar vele kleinkinderen.
Ze kreeg twaalf kinderen met haar man Ferdinand Wiggers, die behalve schrijver en journalist ook nogal een flierefluiter was die in de armen van een van zijn minnaressen stierf aan een hartaanval.
Ze was zijn nyai, maar na hun derde kind trouwde hij met haar, nadat ze zich tot het christendom had bekeerd. Ook wel weer netjes.
Is er iemand hier die niet weet wat een nyai was?

Dit schreef mijn eigen moeder over Tjanting in een van de boekjes die ze mij naliet:
Wat hield ik van haar! Ze was voor mij het begin en het einde van alle dingen. … Ze baadde me, verzorgde me, paste op me, want mijn mama ging veel uit. Begrijp je nu waarom ik me zo aan haar verbonden voelde, zolang ze nog leefde?… En toen ineens was ze dood. Ik lag al in bed, toen mijn moeder nog even bij me kwam liggen en tot onze pret kwam Daddy (haar vader) er even later bij. Er werd wat gepraat, het maakte me slaperig, maar toch hoorde ik mijn vader nog zeggen: ‘mama is niet meer’. De schreeuw, die mijn moeder gaf, maakte me klaarwakker…. Mammie’s huilen leek eindeloos…. Er volgden vreemde dagen. Dagen vol smart en vol muziek. Mijn moeder zat bij de grammofoon en draaide alle platen. Zo kan ik het ‘ Si j’etais roi’ en ‘ Dichter und Bauer’ niet horen of ik word helemaal teruggebracht naar Talang Djawa. In Bandoeng werd oma begraven en achter haar baar volgden te voet al haar zoons en kleinzoons. De vrouwen zaten in auto’s. Mammie was er niet bij. Ze zat thuis en luisterde naar muziek, ze zonderde zich af en liet haar tranen de vrije loop. Gelukkig dat mijn vader haar begreep en haar haar gang liet gaan. Het was de beste troost, die hij haar kon geven: begrip.
*

Geen schaamte dus. Ferdinand Wiggers, de opa en flierefluiter die mijn moeder nooit heeft gekend, is overigens wel de man die het verhaal ‘Nyai Isah’ schreef, dat ik tijdens mijn research voor Lichter dan ik bij toeval tegenkwam. Het stond in een bundel met verhalen die door Maya Liem waren vertaald uit het Maleis, geschreven door Indische en Chinese auteurs. Hun overeenkomst was dat de nyai er als een mens vanaf kwam. Nederlandse schrijvers uit die tijd vonden haar als verschijnsel vooral onbetrouwbaar, sluw, vals, lelijk als de nacht of te verleidelijk. Rond 1980 zou Pramoedya Ananta Tour in Aarde der mensen de befaamde Nyai Ontosoroh onsterfelijk maken, maar deze schrijvers hadden haar al eerder een menselijke gedaante gegeven, misschien omdat ze van haar afstamden, zoals mijn overgrootvader.
Het beeld dat de Nederlanders van de nyai hadden neergezet, was lange tijd gangbaar. Daarom werden inheemse moeders verstoten, verzwegen en als schaamtevol beschouwd. Daarom weten we vaak amper iets over deze voormoeders – of worden ze opgewaardeerd tot prinsessen uit de kraton. Ook mijn Isah zou een prinses zijn, vertelde mijn moeder mij toen ik nog klein was, terwijl ze in haar dagboek dat aan mij gericht was, echt wel wist hoe het zat. Ze deed mij zelfs in 2008 Reggie Baays boek over de nyai cadeau met de woorden: lees dit, hier stammen wij van af.

De foto voor die zogenaamde prinses was de directe inspiratie voor Lichter dan ik

Even terug naar de brief van Louisa en terug naar Kartini:
“Kartini is in me gekropen. Ik kan niet, nooit zijn als zij, alleen al omdat zij een Javaanse is.
Dat is het natuurlijk óók wat me dwarszit: zij weet precies wie ze is. En haar gedrevenheid heeft te maken met de liefde voor haar volk. Zij heeft geen last van de twijfel, de verscheurdheid die mij wakker houdt. Ze weet wie haar ouders zijn, bij wie ze hoort en zelfs wat haar rol in de samenleving behelst. …
Ondanks dat gruwelijke korset van de Javaanse adat, voel ik enige jaloezie. In dat doodsaaie Japara is zij trots op de lokale ambachtslieden, ze toont hun houtsnijwerk aan anderen, aan de wereld zelfs, drijft handel voor deze mensen. Ze schrijft over de batikkunst (die ze zelf ook beheerst) en hoewel ze vurig (dat is een echt Kartini woord) naar Holland verlangt omdat dat land haar vrij zal maken en onkwetsbaar voor de kritiek uit haar directe omgeving, is en blijft ze een Javaanse pur sang. Vervloekt is ons gemengde bloed! Niet omdat wij minder zijn dan volbloed totoks, Europees, Chinees of inlands, maar omdat hun hart zo duidelijk aan hun eigen volk behoort. Zij kennen onze twijfel niet (mijn twijfel). Zij kunnen onverminderd zijn wie ze zijn. Ze hoeven zich niet blanker voor te doen, of hun eigen inlandse trekjes te verbloemen of te verloochenen. En toch, lieve Pauline, horen ook wij hier thuis in Insulinde…
Kartini is verontwaardigd over het afhankelijke lot dat vrouwen (vooral de Javaanse) treft, en vecht tegen de adat. Maar ze is evengoed geschokt door het gedrag van de Europeanen, die in haar ogen onderdrukkers zijn. De Hollander hoort hier niet. …Ze strijdt voor waardigheid, gerechtigheid voor haar eigen land – en maakt dat ik me een indringer voel. Wanneer ze jubelt over haar vriendschap met de vooruitstrevende Nederlanders die haar begrijpen en geestelijk voeden, voel ik me ook weer een buitenstaander, maar dan op een andere manier. Zie je mijn verwarring?”
Zoals Lichter dan ik gaat over een moeder die haar kinderen zoekt, zo zoekt Louisa in Zoeken naar Isah, of: Engel en kinnari naar haar moeder. Een zoektocht die mij na aan het hart ligt, omdat ik twee dochters heb die in China zijn geboren, uit een andere moeder.
Vóór Lichter dan ik schreef ik een paar boeken over adoptie, en tijdens het schrijven van mijn roman besefte ik dat het toch wéér over afstand doen ging, ook al was het verhaal gebaseerd op de geschiedenis van mijn betovergrootmoeder.
Dit is het verhaal van veel, misschien wel de meeste Indische Nederlanders van gemengde afkomst: slavernij, nyais, de onvolledige gezinnen, het verlies, aangenomen kinderen, de geheimen, de schaamte voor een inheemse afstamming. Het niet weten.

Raadsels en geheimen die uitgroeien tot iets duisters, tot overgedragen verdriet.
Wat mijn eigen Indische afkomst betreft: ik heb ervoor gekozen om al die geheimen en tragiek in romanvorm te verwerken. Voor mezelf, maar gelukkig herkennen lezers het verhaal ook op hun manier. Lichter dan ik gaat over het ontstaan van de Indo, Zoeken naar Isah over haar plaats in de koloniale maatschappij en eind volgend jaar, of begin 2028 verschijnt het derde deel van mijn vrouwentrilogie, over de oorlog, buitenkampers, de onafhankelijkheidsoorlog en de ontvangst in Nederland.
De Indische geschiedenis kunnen we niet langer een verzwegen verhaal noemen, zeker niet in deze kringen, zoveel is en wordt erover geschreven. Maar zoals Amber die zojuist optrad net al zong: ieder heeft zijn eigen verhaal. De verhalen verbazen me telkens weer en ik ben blij dat ik met behulp van fictie over de werkelijke geschiedenis mag schrijven. Zo heeft ieder zijn eigen verhaal en zijn eigen methode om er mee om te gaan.
Is onze algemene levensvraag hoe om te gaan met het afkomstig zijn van of hoe te leven in een mengcultuur?
Dat mijn tweede roman eerst Engel en kinnari heette, komt omdat Louisa niet kan besluiten wat haar identiteit is: een Westerse engel of een Oosterse kinnari. Hoe dan ook, op het einde van het boek besluit Louisa dat ze niet hoeft te kiezen. Ze kan beide zijn:
Luister maar:
“Ze keek haar dochter Ietje recht aan: ‘…Dit hebben we gemeen, het gemengde Javaanse en Hollandse bloed. Het vormt ons. Wij zijn geen volbloed Europeanen, noch zijn we volbloed Javanen. Wat zijn we wel? Dat is aan ons om te besluiten. We kunnen niet blindelings in een eeuwenoude traditie stappen zoals de Belanda’s of de totok Chinezen, die hier niet vandaan komen maar wel hun familiegeschiedenissen bij zich dragen. Wij, Indische mensen, zullen het helemaal zelf moeten uitvinden. En ik zou dat het liefst samen met jou doen, ook voor jullie kinderen. Want dan hebben wij die traditie geschapen, vanzelfsprekend gemaakt, zonder dat we ons iets door de buitenwereld hebben laten voorschrijven. Wij kunnen hier bruggen slaan zoals Henri ze laat bouwen: van buigzaam bamboe maar met een stevige Hollandse constructie. Dat is onze kracht.’ “
Is Oosters én Westers zijn de oplossing voor Indische Nederlanders die worstelen met hun identiteit? Voor derde en vierde generaties die niets is verteld, die op zoek gaan en zich soms zo ontworteld voelen als Louisa in mijn boek? Voor mij in ieder geval wel.
Het is tegenwoordig gewoon om op zoek te gaan naar je identiteit. Wie ben ik? Waar kom ik vandaan – en wie gingen mij voor? Ik heb zelfs mijn KNIL-vader op de ontleedtafel gelegd om meer over mezelf te begrijpen. Je moet de geschiedenis kennen. Maar ik weet ook dat je nooit alles zult weten. Er zullen altijd geheimen, raadsels en mysteries blijven bestaan. Alleen al omdat je geen idee hebt wat er precies in die voorouder om ging. Je krijgt door onderzoek een indruk van het leven in de kolonie, van Tempo Dulu tot een zware strijd om het bestaan die soms letterlijk is verloren. Denk bijvoorbeeld aan de periode 1942-1949, de oorlogen die voor zovelen op zoveel manieren traumatisch waren. Maar denk ook aan al die oorlogen daarvóór. Er is nog altijd veel huiswerk te doen.
Misschien heeft elke Indo haar of zijn stille verdriet. Ik zie het aan de ogen van mijn generatie, ik merk het aan de vele vragen en zoektochten van de jongere generaties. Elk verhaal is anders, en dikwijls onvoorstelbaar voor de naoorlogse nazaten. Er loopt echter wel één rode draad door al deze verhalen: de moeders en grootmoeders die misschien veel voor hun kinderen verzwegen, maar die hun vooral niet wilden belasten en een beter leven voor hen wensten.
Het zou onterecht zijn om deze vrouwen alleen maar als slachtoffers te zien. Of om onszelf alleen maar als slachtoffer te zien, omdat we werden opgevoed door zwijgende of getraumatiseerde ouders of grootouders die zich probeerden aan te passen aan de Nederlandse maatschappij. We kunnen méér zijn dan dat.
Het lastige is dat het gemakkelijk is om in slachtofferschap te blijven hangen.
Het mooie is dat er zoveel over intergenerationeel leed wordt geschreven, dat de lichtpuntjes beginnen op te doemen. We kunnen het béter doen, we kunnen ons bevrijden.
We hoeven niet te accepteren dat het zeven generaties duurt voordat trauma uit een familie is verdwenen. Je arme kinderen, je arme kleinkinderen.
Mijn eigen dochters zullen waarschijnlijk nooit weten wie hun ouders zijn. Welke ziekten er in hun familie voorkomen. Of ze broers en zussen hebben. Toen we naar China reisden, moest mijn toen elfjarige dochter huilen: straks zie ik mijn opa en weet ik niet dat hij het is.
Ik heb vroeger veel boeken over adoptie gelezen en een van de beste vond ik Geadopteerd door David Brodzinsky, met als ondertitel: een levenlang op zoek naar jezelf. Het boek stamt al uit 1997 en de auteur zegt op het eind dat je altijd weer geconfronteerd zult worden met het feit dat je geadopteerd bent. Maar het hoeft niet iets te zijn dat je dagelijkse leven bepaalt. Je stopt het weg in een hoedendoos – of in een ijzeren trommel – en soms haal je het eruit om ermee bezig te zijn.

Ook al kan ik wel stellen dat zowel mijn oma als mijn moeder hun mengcultuur in alle opzichten eerden – en naar het hen uitkwam zich reuze Indonesisch óf reuze Nederlands gedroegen – ik heb zelf natuurlijk ook weleens gepiekerd over het Indisch zijn.
Dat kwam notabene door het succes van Lichter dan ik. Door de reacties van mijn lezerspubliek ontdekte ik mijn eigen Indische kant – en die was veel groter dan ik me bewust was.
Dit komt uit de bundel Modelverhalen, reflecties op Aziatische roots, samengesteld door Liang de Beer, waarvoor ik het verhaal Een echte Indo schreef:
“Maar ergens knaagde mijn laat ontdekte identiteit aan me. Ik had weliswaar alle sluizen naar mijn overleden voorouders wijd opengezet, maar hoe zat het eigenlijk met het doorgeven van al dat Indisch zijn aan mijn eigen kinderen? Mijn dochters die géén Indisch bloed hebben? Ze hielden veel van hun oma, mijn moeder, maar wat moeten ze met haar koperen vazen, de sarong en kebayas, de briefopeners in de vorm van een wayang? De handgeschreven receptenboekjes van mijn oma en moeder vol Indische gerechten?
“De vreugde die ik haalde uit mijn Indische identiteit, mocht ik slechts in beperkte mate aan mijn eigen kinderen doorgeven, vond ik. Sterker nog, met al dat voormoedergedoe benadrukte ik voor mijn gevoel het contrast met de afwezigheid van hun biologische familie. Was dat niet erg egocentrisch?
“Ik voelde me schuldig en begon ongemerkt mijn enthousiasme voor alles wat Indisch was af te remmen. … De geschiedenis van Indonesië en de kolonie, die ik er bij anderen altijd graag inhamerde, vertelde ik sterk ingekort aan mijn eigen dochters. Waarom zou ik ze vermoeien met details over Nederlands kolonialisme?
“Zij, noch ik waren ooit uitgescholden voor ‘Pinda-poepchinees’, dus zelfs daar konden we het niet over hebben. Ik vroeg de meisjes of ze zich hun oma nog herinnerden. Maar ja, de vrolijke herinneringen die ze opsomden, waren niet per se Indisch te noemen. Mijn jongste was gek op rendang zei ze– mijn hart sprong op – maar inmiddels is ze vegetariër.
“…Het hele nature or nurture vraagstuk was door mijn hervonden Indisch zijn in een ander licht komen te staan. Natuurlijk zouden mijn moeder en oma blij zijn geweest dat ik hun voorgeschiedenis levend hield en zo duidelijk in mij meedroeg. Dat was iets wat wij generaties lang gemeen hadden, het zat in onze genen. Maar ik besloot dat ik dat niet kon en mocht opdringen aan mijn dochters, bij wijze van omgekeerde cultural appropriation. … Mijn kinderen, zo redeneerde ik, hebben er nooit om gevraagd om geadopteerd te worden – waarom zouden ze zich dan wel als Indo’s wensen te gedragen? Ook in dit opzicht ben je als adoptieouder voorzichtig. Je zegt nooit ‘ik ben jullie echte moeder’ tegen je kinderen omdat hun biologische moeder degene is die ze heeft gebaard. Het woord ‘echt’ heeft hierdoor misschien een andere lading gekregen: stel dat ik mijn dochters ‘echte Indo’s’ zou noemen, dan beledig ik ze misschien ongewild. Aan de andere kant: ik wil ze natuurlijk ook niet kwetsen door ze géén Indische band te gunnen. En zo worstelde ik met het Indisch zijn, een tamelijk eenzame exercitie omdat bijna niemand in mijn omgeving het probleem ook zo zag.
“Tot op een dag iemand tegen mij zei: ‘Weet je, hoe Indischer jij durft te zijn, des te meer Chinees durven jouw kinderen te zijn’. Dat zette voor mij de deur open naar een wat meer ontspannen kijk op de zaak.
“…Ik besefte dat mijn moeder en grootmoeder precies dat zo goed hebben voorgeleefd: je overal thuis voelen. Dit kan je immers op allerlei manieren interpreteren. Dat iedereen, ongeacht kleur of afkomst even welkom is: oom en tante, neef en nicht, daar hebben Indo’s niet per se een bloedband bij nodig. ‘Erbij horen’ hoeft niet te betekenen dat je er allemaal hetzelfde uit moet zien, of hetzelfde moet denken. Hoeveel kleuren, soorten en maten telde de vriendenkring van mijn eigen oma wel niet? Daar zouden mijn eigen kinderen vanzelfsprekend in zijn opgenomen en ook zij zouden, net als ik, hun brieven van haar rood onderstreept retour hebben gekregen.
“Tijdens de laatste grote familiereünie, alweer vele jaren geleden, waren mijn dochters gewoon twee van de vele geliefde cucu’s, de tientallen kleinkinderen van allerlei oma’s….
“Eerlijk gezegd hebben ze zich in onze familie nooit een buitenstaander gevoeld. Integendeel, ze zijn altijd geïnteresseerd in verhalen over (verre) neven en nichten die ze graag mogen. Het doorgeven of navoelen van een bloedband is vergeleken bij dit alles veel minder belangrijk. Wat was die ongegronde vrees van mij eigenlijk vreselijk on-Indisch: delen moet je, niet dingen voor jezelf houden!
“We hoeven de boel niet zwart-wit te zien, afgebakend door wel of geen bloedband. Precies zoals mijn oma kookte: een snufje van dit, een handje van dat, een beetje van Oost, een beetje van West. Of honderd procent West. Of honderd procent Oost, het maakt niets uit, als het maar lekker is. Voor die ruimhartigheid bestaat een uitstekend woord: inclusiviteit. Was ik daar maar eerder op gekomen.”
Ruimhartig zijn. Inclusief. Niemand buitensluiten. We hoeven niet meer bang te zijn dat we als ‘minder’ worden beschouwd. En als dat wel gebeurt, dan trekken we onze mond open en laten het niet langer stilzwijgend over ons heenkomen als verlegen Indo’s.
Als we op onze kleur worden beoordeeld, ligt dat niet aan ons, maar aan die ander. Die heeft een superioriteitsprobleem dat nergens op gebaseerd is.
Als je al die culturen en genen in je draagt, kun je ruimhartig zijn, en inclusief – omdat je persoonlijkheid niet gebaseerd is op een eenduidige afkomst met vaste normen en waarden. Leer je kinderen de voordelen en het plezier van een mengcultuur: we mogen grensoverschrijdend zijn en hoeven ons niet aan te passen aan stroeve of benepen gebruiken. Ferdinand Wiggers zei het al: wees de brug.
Voor elke spruitjeslucht de geur van trassi, voor elke karnemelksepap een flinke teen bawang putih. En, ik kan het me niet voorstellen, als je liever een glas melk drinkt dan een glas cendol of stroop susus, dan vind ik je misschien een beetje onbegrijpelijk, maar zeker niet minder. Ergens zit ook een Brabantse timmerman in mij en die zal ik evenmin verloochenen. Er hoeft geen label op geplakt, zie het ruim. Dat zijn we aan onze voorouders én aan onze nazaten verplicht.

Geef een reactie